KWF Kanker Bestrijding
Sponsor Alpe d'HuZes


KankerVerziektJeTaal

Opgeven is Geen Optie

2 juni 1960 – 2 juni 2047

2 juni 2047
Dat is de streefdatum, dan word ik 87. Als mijn grootvader in 1982 op 87-jarige leeftijd sterft,

neem ik me voor om het hem na te doen en omdat ik iemand ben van ‘afspraak is afspraak’

heb ik er nooit aan getwijfeld dat het me zou lukken.

Op 2 juni 1960 word ik geboren in het Noord-Hollandse Anna-Paulowna. Een dorp waar

gewerkt wordt in de land- en tuinbouw en waar je buitengesloten raakt als je de kantjes ervan

afloopt. Calvinistisch, maar dan zonder het streng-christelijke, noem ik dat.

Ik ben zeer gelukkig getrouwd met Marjolijn en vader van twee belhamels van jongens. Milo

is 10 en Jaron 7. De laatste twintig jaar heb ik getraind als een beest en ik heb meer dan

tweehonderd kortere en lange triatlons achter de rug.

Waarom doe ik dat? Ik ben net een klein kind: Rust, Reinheid en Regelmaat houden mijn

leven in het spoor. Houd ik me daar niet aan, dan verval ik tot chaos en een ongezond leven.

Ik moest meteen aan mezelf denken toen ik las dat John Wayne zei: “They tell me: everything

isn’t black and white. Well, I say, why the hell not?” Als ik niet uitkijk schiet ik namelijk door

en zie ik alles alleen nog maar zwart-wit. Sport brengt me de broodnodige rust en zorgt voor

een lang en gelukkig leven. Het trainen en vooral ook de wedstrijden zorgen ervoor dat ik

mijn lijf, maar vooral mijn geest, op orde breng en houd. Sport is daarom geen hobby van me,

het is de balans die ik nodig heb om ook de grijstinten te ontdekken.

Op 2 juni 2004 ben ik 44 en ik beschik over een kerngezond lijf. Ik doe dit seizoen mee aan

10 korte triatlons. Voor het eerst sinds 1997 doe ik weer een halve triatlon, in Leiderdorp (bij

34 graden Celsius). Zoals elk jaar sluit ik af met de kwarttriatlon van Spijkenisse en ik kijk

terug op een goed seizoen. Daarom besluit ik in 2005 weer voor een hele triatlon te gaan en ik

neem als richtpunt de marathon van Utrecht in de laatste week van maart. Altijd een goede

voorbereiding voor het lange en zware triatlonseizoen. De maand oktober begin ik te trainen

met twee doelen voor ogen die ik in januari 2005 bereikt wil hebben: het opvoeren van de

loopkilometers tot ongeveer honderd per week en een lichaamsgewicht van 80 tot 82 kilo (ik

lijd aan vetzucht en ik was weer eens 92 kilo). Gedurende de maanden oktober, november en

december gaat het goed. Ik loop makkelijk en raak snel gewicht kwijt. Dat verbaast me

eigenlijk niet: als ik iets met mezelf afspreek, gebeurt het ook. Mensen die het moeilijk vinden

om met roken te stoppen, begrijp ik dan ook niet. Dat doe je gewoon.

Ik bekijk de wedstrijdkalender van 2005 en begin een overzicht van de wedstrijden te

plannen. 10, 15, 21 kilometerloopjes als voorbereiding voor de marathon van Utrecht. Runbike-

runs in de aanloop naar de eerste korte triatlons van het nieuwe seizoen en vanaf mei

werk ik, met een lange aanloop van korte triatlons, naar de hele triatlon van Almere. In mijn

fantasie zie ik voor me hoe menige tegenstander alleen mijn rugnummer zal zien.

Of toch niet?

6 januari 2005

Mijn vader zeurt al een half jaar aan mijn hoofd dat ik mijn cholesterol moet laten

onderzoeken. Begrijpelijk vanuit zijn perspectief. Hij heeft een hartaandoening gehad en

broers verloren aan een hartziekte. Maar ik, die al twintig jaar aan topsport doe? Omdat ik

enkele weken geleden met mijn jongste zoon naar de huisarts ben geweest en dokter Pel heeft

gezegd dat ik weliswaar een verlaagd risico heb, maar dat het op mijn leeftijd en met mijn

achtergrond niet uit te sluiten is, ga ik op donderdag 6 januari naar de poli en lever mijn bloed

in. “Belt u over een week maar met uw huisarts voor de uitslag, mijnheer Kapitein.”

Wel, dat hoef ik zelf niet te doen.

7 januari 2005

Dokter Pel belt mij. Hij kan me geen zekerheid geven, maar mijn leukocytenwaarde is

verontrustend hoog. Inmiddels zou ik hele colleges over bloed kunnen geven, maar op 7

januari had ik maar één vraag: “Heb ik dan leukemie?” Dokter Pel gaf heel correct aan dat dit

niet gezegd is, maar dat de waarde wel zo verontrustend hoog is dat hij de internist van het

Slotervaartziekenhuis heeft gebeld en die wenst niet te wachten tot maandag. Een half uur

later zit ik in het Slotervaart. Gelukkig kon ik Marjolijn bereiken en is zij ook snel ter plekke.

Ze probeert me gerust te stellen. Voor mij staat het echter al vast: dit is foute boel en ik heb

kanker! Als het slecht nieuws is, wil ik direct maar door de zure appel heen en vandaaruit

verder werken. De internist wil echter ook na bloedcontrole, anamnese en uitwendig

onderzoek nog niets met zekerheid zeggen. Hij wil me de volgende ochtend weer zien en wel

om half negen.

Naar huis en emotioneel onderuit. Het is onvoorstelbaar moeilijk om dit met je ouders te

bespreken. Ik, met al mijn praatjes en oplossingen, sta nu met lege handen, een mond vol

tanden en heel veel tranen in mijn ogen. Ik, met mijn oersterke lijf en sterke kop, heb kanker!

Dat kan niet.

Ik ga rond elf uur naar bed en verbaas mijzelf. Nog geen minuut later slaap ik en pas van de

wekker word ik wakker. De gedachte aan kanker zit weer in mijn kop voor de wekker uit is,

maar ik heb ‘gewoon doorgeslapen’. Marjolijn heeft nauwelijks een oog dichtgedaan, maar ik

zit, op dat moment kennelijk nog onbewust, al in de ‘herstelmode’. Voor de behandelingen en

het herstel daarna is een uitgerust en sterk lijf van belang. Dan kun je maar beter goed slapen!

8 januari 2005

10.00 uur

Zaterdagochtend: ik had in het zwembad moeten liggen en voor vanmiddag stond er een 18

kilometerloopje op het programma. Het is windkracht 7 en het regent. Dat past wel bij een

onheilstijding. Het web sluit zich en ik krijg van dokter Meesters, internist van het

Slotervaartziekenhuis, te horen: “Je mag er geen zekerheid aan ontlenen, maar ik houd het op

leukemie. Ik heb gebeld met het Academisch Medisch Centrum en ze hebben een bed voor je

klaargemaakt.”

Marjolijn heeft op dat moment de tegenwoordigheid van geest om te vragen of ik mij daar nu

of maandag moet melden. “Ogenblikkelijk.”

Momenten van rust en bezinning zijn er niet meer. Het is doorpakken en incasseren. Heel veel

incasseren.

11.30 uur

Marjolijn en ik lopen het AMC binnen en even later wordt er weer bloed afgenomen. Rob, de

verpleegkundige, geeft me het advies: “Je hoeft niet vierentwintig uur per dag de patiënt uit te

hangen. Ga vooral zoveel mogelijk je gang, we weten je wel te vinden.”

12.00 uur

Met angst in mijn ogen kijk ik Marjolijn aan en zeg: “Ik weet niet wat er aan de hand is,

Marjolijn, maar houd er rekening mee dat je over een maand weduwe bent.”

Het is voor mij een vreemde gewaarwording dat momenten van absolute zekerheid worden

afgelost met momenten van totale wanhoop en paniek. Dit is doodsangst.

13.00 uur

Tijd voor de afspraak met de hematologe, dokter Carla Hollak. Hematologie was tot nu toe

voor mij een vage wetenschap, waar ik niets van afwist. Mijn gevoel zegt me dat dit gaat

veranderen. Carla onderzoekt me en vraagt me het hemd van het lijf. Ze heeft mijn bloed al

onderzocht en geeft aan dat het “zeer waarschijnlijk leukemie van een indolente aard” is, dat

wil zeggen langzaam groeiend. In dat geval is snel behandelen minder belangrijk en ze stelt

voor dat ik naar huis ga. Morgenochtend om half elf belt ze met de uitslag van verder

bloedonderzoek. Dan weet ze meer.

16.00 uur
Zoals gebruikelijk op zaterdag belt mijn fietsmaat Fred om te vragen of we morgen nog gaan

trappen. Ik neem wel de telefoon op, maar kan geen woord meer uitbrengen. Mijn vader staat

Fred te woord, maar houdt het ook niet lang vol. Na ongeveer een uur stappen Fred en Bernd,

mijn andere fietsmaat, binnen. Onbegrip, ongeloof, woede en angst staan in onze ogen. Is dit

het einde van ons fietsgroepje? Maar Fred houdt de moed erin: “Twintig jaar topsport, Peter,

nu ga je cashen!”

9 januari 2005

10.30 uur

Zoals afgesproken belt Carla Hollak en ze velt het vonnis: “Ik ben er voor honderd procent

zeker van: je hebt het non-Hodgkin folliculair lymfoom. Het is goed te behandelen, maar

houd er rekening mee dat een longontsteking ook goed te behandelen is. Dit duurt veel langer

en het is zoeken naar de juiste behandeling. Maak je wel zorgen, maar word niet ongerust: we

krijgen het wel klein.”

Langzaam begint de werkelijkheid tot mij door te dringen en word ik me bewust van wat ik

niet wil weten. Ik heb kanker en daar verander je niets meer aan. Ik vertel het aan nog enkele

vrienden en natuurlijk aan mijn naaste familie, ook aan mijn zoontjes Milo en Jaron. De

tranen laat ik veelal de vrije loop. De jongste staat het nooit toe dat ik zijn moeder vasthoudt,

maar nu wel. Met een schuin oog kijkt hij naar me, zegt na een paar minuten met zijn blik

naar de vloer: “Ik heb jou nog nooit zien huilen,” en rent weg.

Marjolijn gaat hardlopen. Ik ga mee, want ik voel me sterk, zij het geestelijk murw gebeukt.

Sport is altijd mijn houvast geweest. Het is bizar om met een ernstige ziekte onder de leden zo

makkelijk mee te lopen en tegelijkertijd begin ik te beseffen dat ik door mijn sterke lijf en

harde kop de strijd waarschijnlijk makkelijker aan zal kunnen dan een ander.

10 januari 2005

Met Marjolijn breng ik Milo en Jaron naar school. We brengen snel de leerkrachten op de

hoogte. Ik meld me om 10.00 uur bij het AMC. De onderzoeken starten: beenmergpunctie,

lymfeklierbiopt, CT-scan, Gallium-scan, 3D-scan, bloedonderzoek (12 buisjes), anamnese,

uitwendig onderzoek door verpleegkundigen, coassistenten, de interniste en de hematologe.

Heerlijk al die aandacht, maar vooral het gegeven dat je in het AMC helemaal geen

uitzondering bent, is weldadig. In de sport is de uitzondering het ultieme wat je kunt bereiken.

Als je kanker hebt, kun je maar beter ‘zo gewoon mogelijk’ zijn. Ik ben hier erg gewoon. Nu

pas realiseer ik me hoeveel mensen kanker hebben. Nu pas realiseer ik me wat gezondheid is.

Tijdens twintig jaar topsport neem je het als vanzelfsprekend aan, maar dat is het niet.

Ik overnacht in het AMC en besluit die nacht mijn twee levensmotto’s te combineren: “I

never, ever quit” en “If you’re going through hell, keep on going.” De strijd is begonnen en

die ga ik winnen. Een andere keuze of mogelijkheid is er eenvoudigweg niet. In werk en privé

heb ik wel eens last gehad van die motto’s, je kunt er immers bij tijd en wijle vrij

onuitstaanbaar mee worden. Nu pak ik de voordelen.

Ik onderga de behandelingen. Tussen 24 januari en 1 augustus krijg ik 9 chemokuren en 8

immuuntherapieën. Van 22 september tot en met 4 oktober doneer ik mijn eigen stamcellen,

wat onder andere weer een hoge dosis chemotherapie met zich meebrengt en eindelijk een

kale knikker. Omdat ik de behandelingen tamelijk goed verdraag, blijf ik werken om de

geestelijke belasting van de kanker aan te kunnen. Marjolijn is immers naar haar werk en

Milo en Jaron zijn naar school. Thuiszitten is dan niet aan te raden, want de muren komen op

je af. Ook blijf ik trainen voor het herstel van mijn lichaam. Tijdens mijn voorbereiding op

hele triatlons werkte ik net als nu met de chemo’s in schema’s van drie weken. Na drie weken

startte je in week 4 met het belastingniveau van week 2 en klom steeds verder. Nu start ik in

week 4 gewoon weer op nul en vecht me naar het oude niveau terug.

Op 1 april 2005 krijg ik een andere arts, Marie-José Kersten. Daar heb ik het zwaar mee.

Uiteindelijk word je niet behandeld voor zweetvoeten. Het vertrouwen in je arts is een

voorwaarde voor herstel en nu is er een breuk. Gelukkig heeft Carla Hollak goed ingeschat

dat ik Marie-José mijn vertrouwen zal kunnen geven: “Ik draag je niet over aan mijn

opvolger. Jij past beter bij Marie-José. Daar ben ik zeker van.”

Carla is altijd en overal zeker van. Marie-José is echt fantastisch en ik ben ervan overtuigd dat

mijn leven bij haar in goede handen is.

5 oktober 2005

In de zomer van 2005 is bij Benjo Agterhorst en Coen van Veenendaal het idee geboren voor

Alpe d’HuZes: om met een stel enthousiastelingen zes keer Alpe d’Huez op te fietsen. Zes

maal de Nederlandse Berg van de Tour de France op. Beroemd door sensationele

overwinningen van Kuiper, Zoetemelk, Winnen, Rooks en Theunisse. Coen vraagt me op 5

oktober ambassadeur van Alpe d’HuZes te worden. Iets waar ik graag op inga, maar ik heb

wel de voorwaarde gesteld mee te fietsen. In overleg met Marie-José bereid ik me erop voor.

Het aantal fietsers groeit snel en besloten is het tot 66 te beperken. Deze 66 laten het echter

niet bij het louter beklimmen van de berg. Naast de geweldige sportieve uitdaging leveren ze

ook een significante bijdrage aan het goede doel en ze volbrengen deze krachttoer om zoveel

mogelijk geld bij elkaar te brengen voor de bestrijding van kanker.

Natuurlijk is er een overeenkomst tussen mijn strijd tegen kanker en het 6 keer beklimmen

van Alpe d’Huez. Op zichzelf is het een vrij zinloze bezigheid om 6 keer omhoog te fietsen,

want uiteindelijk eindig je beneden. Maar fietsen voor zo’n machtig doel is fantastisch.

Zonder dit goede doel kan een fietser opgeven en het bij 5 keer laten. Voor mij is opgeven

geen optie, maar voor die 65 andere renners nu ook niet meer. Bij de 6e keer tikt de meter

sneller voor het Koningin Wilhelmina Fonds en de kankerbestrijding. Alle 66 deelnemers

hebben namelijk sponsors gezocht, die een bedrag per renner (bij voorkeur € 6.666,--), of per

beklimming (dat wordt dan € 1.1111,--) doneren. We proberen alles te relateren aan de 6,

maar ieder bedrag is natuurlijk goed. Ook die € 6,66 van mijn tante omdat ze zich zo

betrokken voelt bij mijn strijd.

Ik start de trainingen, symbolisch, samen met Coen, hoewel ik nog zo verzwakt ben van de

stamceldonatie dat ik bij een gemiddelde snelheid van 25 kilometer per uur een hartslag heb

van ruim 150. We fietsen twee uur en ik zit er helemaal door, maar toch wil ik die berg

overwinnen en dat zal een overwinning op mezelf, maar vooral op mijn ziekte zijn. Als

triatleet kon ik altijd vertrouwen op mijn lijf en dat gevoel wil ik terugwinnen.

De maanden daarop gaat mijn conditie door de loop- en fietstrainingen gestaag vooruit. Ik

draai alweer snel mijn rondjes op kop mee in de ritten met Fred, Bernd en Menno en voel me

sterker en sterker worden. De plannen voor Alpe-d’HuZes zijn reëel en ik speel al met de

gedachte om na dit evenement een stevig triatlonseizoen op te pakken. Ik krijg echt het gevoel

weer terug te zijn!

9 maart 2006

Voor een routinecontrole ga ik naar Marie-José. Ze constateert een stevige verdikking van de

lymfeklieren in mijn linkerlies en ze wil een CT-Scan. Ik maak me niet ongerust, want in de

skivakantie, een week eerder, ben ik gevallen en heb mijn iliopsoas stevig geblesseerd.

Volgens de fysiotherapeut zit er een flinke ontsteking. Dit zal de zwelling van de lymfeklieren

in mijn lies wel verklaren. Ik onderga de scan dan ook redelijk rustig.

21 maart 2006

De lente begint, maar bij mij is het vreselijk mis. Marie-José vertelt dat de zwelling in de lies

weliswaar iets minder is geworden, maar dat de lymfeklieren in mijn buikholte, milt en lever

weer aan het groeien zijn. De kanker is terug, hij is nog niet verslagen! We bespreken de

behandelmethoden en weer komt de stamceltransplantatie op tafel. Net nu ik de afgelopen

maanden afstand begon te nemen en de kanker, voor het eerst sinds de ziekte zich openbaarde,

niet als eerste bij het ontwaken in mijn hoofd zat, word ik met beide benen op de grond gezet:

je hebt een ongeneeslijke ziekte, Peter en hier gaan veel mensen aan dood. Weer breekt

doodsangst door mijn verdedigingslinie heen en maakt zich van me meester. De klappen

komen direct door en zijn hard, heel erg hard. Ik barst in tranen uit en weet me even geen

raad. Maar de kracht van mijn relatie met Marjolijn en de hechte vertrouwensband die ik met

Marie-José heb opgebouwd blijken een enorme steun.

Onkruid moet je er niet uittrekken als het nog maar een centimeter uit de grond is gekomen,

want dan staat het er volgende week weer. Je moet het echter ook niet de hele tuin laten

overwoekeren, want dan groeien de gezonde bloemen en planten niet meer en gaan dood. Zo

steekt het ook ontzettend nauw wanneer je begint met behandelen, volgens Marie-José. Het

mag niet te vroeg en het mag niet te laat zijn. Niettemin kan ze wel zeggen dat het

onwaarschijnlijk is dat ik de 6e juni, de dag van Alpe d’HuZes, zal halen zonder behandeling.

Mijn bloedwaarden (met name de rode bloedcellen en de bloedplaatjes) zijn hiervoor te veel

gezakt. De komende tijd ga ik nadenken over die behandeling: wordt het een

stamceltransplantatie of toch weer (een andere) chemo. In de tussentijd moet ik iedere twee

weken terugkomen om mijn bloed te laten testen. Dat is nodig om te bepalen wanneer de

behandeling kan beginnen.

Wat een dreun. Ik wist dat de kanker zou terugkeren, maar ik had op een paar jaar zonder

behandelingen gerekend. Bovendien heb ik me met hart en ziel op Alpe d’HuZes gestort en

zou ik dit nu moeten missen? Mooi niet. Dan maar één keer die berg op en boven komen als

de eerste fietser die midden in een chemo zit. Dit wordt me niet afgenomen!

6 april 2006

Controle van mijn bloed, uitwendig onderzoek, gevolgd door een gesprek met Marie-José.

Mijn bloedwaarden zijn gestegen en da’s goed nieuws. Ze had verwacht dat ze zouden

degraderen (met name de rode bloedcellen en de bloedplaatjes), maar bij mij niet. Mooi zo,

doorgaan jongens, eens kijken of we het hemoglobinegehalte op 8.0 kunnen krijgen.

19 april 2006

De bloedwaarden zijn vrijwel normaal. Alpe d’Huez, maak je borst maar nat. Niet voor één

keer, maar voor zes. Mijn vertrouwen neemt toe en ook Marie-José begint er stilletjes aan te

geloven. Ik lijd aan een ongeneeslijke ziekte maar ook aan een ongeneeslijk optimisme en dat

helpt. Marie-José geeft me een extra weekje vrij voor een training in de Vogezen. In de eerste

week van mei rijd ik per dag gemiddeld 100 kilometer en gemiddeld 4 cols. Deze cols zijn

heel wisselend en er zijn er twee die respect afdwingen. Iedereen kent de Grand Ballon. Een

stevige klim van 14 kilometer, waarvan de laatste 7 bijna 9 procent stijgen. De killer one is

echter de Col du Platserwasel. Laat je niets wijsmaken over de Vogezen: deze col van maar 7

kilometer is de zwaarste. Hij is verraderlijk, want de eerste 500 meter is hij vriendelijk. Draai

je de eerste bocht door, dan wordt je adem afgesneden door angst: twaalf procent stijging, kun

je hier wel tegenop fietsen? En dat 6,5 kilometer lang? Ja, dat kan. Als ik boven ben, besluit

ik twee dingen: ik ga de Alpe d’Huez 6 keer op, maar ik moet een lichter verzet aanschaffen

dan 39:27. Vijf dagen later beklim ik de Col du Platserwasel nog eens met die 39:27 en ik

merk dat ik sterker ben geworden. Minstens een minuut of 5 sneller en minder kapot dan de

eerste keer. Mijn zelfvertrouwen groeit.

11 mei 2006

Na goed nadenken en veel praten met Marjolijn, beslis ik in overleg met Marie-José dat ik

voor een volgende chemokuur ga, in combinatie met een immuuntherapie. Ik koop als het

ware tijd, tijd waarin transplantaties van stamcellen verder kunnen worden verbeterd. Nu ben

ik er gewoon nog te bang voor en denk in sterftepercentages in plaats van overlevingskansen.

Bovendien heb ik tijdens een chemokuur een hoge kwaliteit van leven. Ik kan blijven werken

en sporten en ik zorg er bovendien voor dat het voor mijn gezin nauwelijks een belasting is.

Dat laatste is voor mij erg belangrijk. Mijn kinderen zullen een heel gelukkige jeugd hebben,

zonder zieke vader.

Mijn bloedwaarden zijn ook deze keer goed. Marie-José en ik beslissen dat Alpe d’HuZes

doorgaat voor mij en natuurlijk niet 1 maar 6 keer, hoewel Marie-José het eigenlijk voor

onmogelijk houdt. Dat heeft echter niets met mijn ziekte te maken.

Ik voel me beresterk en vertrouw erop dat het gaat lukken. Alpe d’Huez heeft 21

haarspeldbochten en als de journalist van het Algemeen Dagblad me vraagt of ik die 6 keer ga

nemen, antwoord ik: “Als ik in de afdaling geen bocht mis, rijd ik de rit zeker uit!”

De laatste controle op 1 juni is ook goed en ik reis de volgende dag af naar Frankrijk.

6 juni 2006

04.30 uur

Op de camping in Bourg d’Oisans schrik ik wakker van de wekker. Mijn eerste gedachte is:

“Dit is de dag waar ik maanden naar toegeleefd heb: 060606. De dag waarop we met 66

wielrenners 6 maal de Alpe d’Huez gaan beklimmen voor het KWF.” Ik werk 6

pannenkoeken naar binnen.

06.06 uur

Het is ijskoud: onderaan de berg 5 graden Celsius en bovenop vriest het bijna (1 tot 2 graden

boven nul). Vanmiddag zal het warm worden met 30 graden in het dal en 20 graden bovenop

de berg. Dat wordt voortdurend kleding wisselen en die naar boven laten transporteren. De

beklimmingen zijn altijd warm, maar de eerste afdalingen zullen koud zijn, heel erg koud.

Erica Terpstra houdt haar openingstoespraak en schiet ons de berg op. Na 100 meter draaien

we linksaf en kijken tegen een muur van asfalt aan. Even lijkt het alsof de weg geblokkeerd is,

maar nee, dit is de weg zelf: 12 tot 13 procent stijgen in de eerste 3,5 kilometer. Niet dat het

daarna gemakkelijk wordt, maar 8 tot 10 procent stijgen is een verademing vergeleken bij de

eerste 6 bochten.

Eenentwintig haarspeldbochten met een gemiddelde stijging van ruim 9 procent; dat is de

opdracht die op ons ligt te wachten. Het traject is 12,5 kilometer, iets korter dan bijvoorbeeld

in de etappe van de Tour de France, omdat we vanaf de camping starten, maar het aantal

hoogtemeters is gelijk! Ik denk alleen aan de eerste klim en ga op het lichtste verzet omhoog.

Ik moet ervoor zorgen dat ik na drie keer nog steeds het gevoel heb dat ik te langzaam ga. Als

drie keer klimmen lukt, dan haal ik het.

07.30 uur

Ik ben boven. Het is schitterend, koud weer, en er staan nu al cheerleaders die de stemming

erin brengen. Rustig omkleden, water drinken en voeding tot me nemen en dan na een minuut

of vijf, zes weer dalen. Met een gangetje van 65 tot 70 kilometer per uur ben je in een

kwartiertje beneden. Alpe d’Huez daalt heel mooi. Schitterend asfalt en lange rechte stukken

– behalve die haarspeldbochten natuurlijk.

07.55 uur

Ik ben weer beneden. Hier heerst een serene rust. De organisatie doet haar werk. Voert uit wat

de renners vragen en verder niets. Ik vul mijn ene bidon met sportvoeding en de andere met

water. Per beklimming drink ik die op zodat ik voldoende energie in mijn benen houd en geen

vochtgebrek krijg. Eten en drinken, daar draait het om. Als je daarmee stopt, is het binnen één

beklimming afgelopen en kun je de rest vergeten.

9.50 uur

Begin van de derde beklimming. Ik doe ongeveer 1 uur en 55 minuten over een cyclus: 1 uur

en 25 minuten klimmen, 15 minuten dalen en zowel boven als beneden een minuut of 7 rust.

Tijd voor de inwendige mens en tijd voor omkleden.

Die pannenkoeken beginnen me op te breken. De tijd van ontbijt tot start is anderhalf uur

geweest, te kort om ze te verwerken. Ik heb het gevoel dat ze nog achter in mijn keel liggen.

Toch moet de sportvoeding naar binnen. Als een klein kind geef ik mezelf de opdracht: neus

dicht en doorslikken; het is voor je eigen bestwil.

12.00 uur

De temperatuur loopt op en dat speelt in mijn voordeel. Ik kan zweten, dat wil je niet weten en

ik kan drinken, dat wil je niet zien. De vierde klim is echter geestelijk zwaar. De andere helft

van de 6 moet ik bij wijze van spreken nog doen en mijn benen raken vermoeid. Als je één

ding niet moet doen, dan is het jezelf afvragen hoe je je de volgende twee keer zult voelen.

Beroerd, maar daar moet ik nu niet aan denken. De klim van 12,5 kilometer ga ik in stukken

hakken. De eerste 3,5 kilometer zijn onmenselijk. Van het kaliber Platserwasel. Er snel

doorheen harken en dan recupereren op het ‘vlakke’ stuk van 8 procent dat erop volgt. Het

stuk naar bocht 8 (op Alpe d’Huez wordt geteld van boven naar beneden) ligt in de luwte:

daar is het moordend heet en het stijgt met een procent of 11. Ik mag niet vloeken van mijn

moeder, maar ik doe het toch. Ik prent mezelf in dat straks bocht 7 komt en daar staat een

verzorgingspost met prachtige vrouwen, de fysiotherapeutes. Alleen, ik stap nooit af, da’s

jammer. Toch is het stimulerend om daar langs te rijden. Die dames zijn werkelijk fantastisch.

Staan gewoon van 6 uur ‘s ochtends tot kwart over 9 ‘s avonds enthousiast aan te moedigen

en lappen iedereen weer op die er helemaal doorheen zit.

Dan volgt het ellendige stuk van bocht 4 naar bocht 3. Het lijkt niet steil door de open vlakte

waar de weg door voert, maar het is 11 procent en de wind hebben we stevig tegen. Maar

daarna is het ‘appeltje eitje’, 7 à 8 procent, tot de finish. De vierde beklimming is binnen!

14.00 uur.

Vertrokken voor de vijfde. Dit wordt de zwaarste. Immers, als ik deze red, red ik de zesde

ook. Mijn benen blijven sterk. Ik weet dat ik daar altijd op kan vertrouwen. Dieselen kan ik en

krachten verdelen is mijn vak. Mijn lijf begint echter pijn te doen. Die pannenkoeken willen

maar niet verteren. Steeds die zoete sportdrank erop is geen pretje, maar ik onderdruk de

neiging om alles eruit te gooien, je wordt er doodmoe van en je spieren verzwakken.

Doordrinken en gewoon denken aan de lekkere zoute, vette hap die je na de 6e finish mag

nemen. Denk aan je grootvader, Peter: “Als ellende een uur duurt, moet je aan het moment

daarna denken!”

Om mezelf op te peppen, beslis ik dat fietsen naar bocht 11 een peulenschil moet zijn. 11 is

mijn rugnummer en fietsen naar je eigen nummer is leuk. Bovendien is wegfietsen van je

eigen nummer ook leuk. Dat maakt van bocht 10 ook een peulenschil.

Het is waanzinnig goed om te zien dat de dalers de klimmers steeds enthousiast aanmoedigen.

Het geeft je het gevoel niet alleen te zijn en dat is belangrijk. Dit hele evenement is een

groepsgebeuren, niemand staat er alleen voor. Uiteindelijk zullen 61 van de 66 het halen en

dat is uniek. Normaal valt zo’n 25 tot 30 procent uit. Bij ons 8 procent.

Een deelnemer verwoordt het mooi: “Peter, je denkt toch zeker niet dat ik voor een

sportprestatie nog de vijfde, laat staan de zesde keer omhoog was gegaan? Ik doe dit voor al

die mensen die aan kanker zijn overleden en in de hoop dat mijn werk op die klotenberg ertoe

bijdraagt dat er minder mensen aan kanker zullen sterven”.

Een andere deelnemer: “Peter, wat is nou 6 keer klimmen? 6 keer anderhalf uur pijn, bloed,

zweet, tranen, maar als je je benen stil houdt boven op de berg, is alles weer normaal. Dat

kunnen al die mensen met kanker niet. Die kunnen hun benen niet stil houden”. Kijk, daar

krijg ik nou kippenvel van.

Ik wurg me weer van bocht 4 naar 3 en geniet van de laatste kilometers. De vijfde zit er op. Ik

weet nu zeker dat ik het ga halen.

16.00 uur

De laatste, ik ben bezig met de laatste beklimming! Nog anderhalf uur ellende van de mooiste

soort. Nu weet ik dat de gladiolen mij ten deel zullen vallen als ik boven ben. Het lijkt wel of

de aanmoedigingen er al rekening mee houden, al overtuigd zijn van mijn succes. Ik hoor

steeds vaker “Mooi gedaan, Peter!” Is dat het publiek, of is dat het stemmetje in mij? Ik ga

ervan uit dat het uit het publiek komt.

Het is snoeiheet, maar ik merk er niets van. Die berg wordt steiler en steiler, maar het doet me

niets meer. Ik kijk nog eens om me heen en zie dat Bernd ongeveer honderd meter achter me

zit. Samen op rijden is er niet bij. Ieder heeft zijn tempo. Ik kan niet sneller en niet langzamer.

Dat zal voor hem ook wel gelden. Fred en Menno ben ik helemaal kwijt geraakt. Die wacht ik

bij de finish wel op. Mijn partner in deze Alpe d’HuZes-crime, Coen, zit ook achter me. Geen

idee hoe ver, maar ook Coen ga ik opwachten en ook met hem ga ik vieren dat we het gehaald

hebben.

Ik werk de onderdelen van de berg systematisch af. Bocht 21 tot en met 16. Aan het eind van

bocht 16 staat een kerkje. Ik ben niet religieus, maar vind het voor het eerst in mijn leven een

verademing om een kerk te zien. Fietsen naar ‘mijn bocht 11’ en ervan wegtrappen.

Doorstoempen. Op naar de dames van de verzorgingspost in bocht 7! Even ‘vlak’ rijden van

bocht 6 naar 5 en dan nog het ellendige stuk van bocht 4 naar 3. Maar wacht eens even; ik

word opgehaald. Een auto met daarin fotografen en mijn eigen Marjolijn. Bovendien fietst

Laura Verhoeven met me mee en praat me moed in.

“Moet ik harder of zachter fietsen, Peter?”

“Lieve Laura, mijn benen kunnen alleen nog maar in dit ene tempo. Niet harder en niet

zachter.”

En tot slot een motorrijder: de vriend van Laura. In optocht naar bocht drie en daarna

genieten, nou ja, genieten? Bocht 1 gehad en dan nog een recht stuk van 400 meter naar de

finish.

Wat een onthaal, wat een aanmoedigingen en enthousiasme. Fotografen, journalisten, een tvcamera,

maar bovenal mijn zoontjes en mijn vrouw! De zesde beklimming is een feit, Alpe d’

Huez is geslecht en heet voortaan ‘Alpe d’HuZes’ voor mij. Ik hoor bij de 61 renners die hem

vandaag op de knieën krijgen. Samenwerken, kracht putten uit emotie en betrokkenheid, dat is

waar het vandaag om draait. Laat die tranen nu maar komen.

’s Avonds heerst er op de camping in Bourg d’Oisans een onvergetelijke sfeer. Iedereen is

zich bewust van wat we hebben gepresteerd, maar niemand kan het echt onder woorden

brengen. “Ik weet niet hoe ik dit thuis moet vertellen. Dit is zoiets anders, dit is zo apart!”

zegt een fysiotherapeute. Dat is de omschrijving van Alpe d’HuZes. Woorden schieten tekort

en daarom laten de renners zich maar rustig masseren en het melkzuur uit hun benen

verwijderen. 

7 juni 2006

KWF Kankerbestrijding mag dik tevreden zijn: we hebben ruim drie en een halve ton

binnengehaald. Hiermee zijn we de grootste particuliere inzamelingsactie voor KWF

geworden. Sport en het goede doel is als combinatie onverslaanbaar. Het totale bedrag is,

zonder enige aftrek, overgemaakt naar het Koningin Wilhelmina Fonds. Strijkstokken kennen

we niet.

Na 060606 wil ik me vaker inzetten voor acties zoals Alpe d’HuZes. Alpe d’HuSept of kan

het origineler? Moeten we wel origineel zijn? Alpe d’HuZes staat voor de kracht die uitgaat

van de combinatie van sport en kankerbestrijding. Al die wielrenners met hun eigen verhalen

zijn er persoonlijk bij betrokken. In elk verhaal een dierbare die is getroffen door kanker en er

in veel gevallen aan is gestorven. Maar belangrijker is dat wij ook laten horen dat je, door

nooit op te geven, veel kunt overwinnen en het overleven voor het grijpen hebt. Die Hollandse

berg past daar wel bij.

Tot slot, wat gaat er voor mij na Alpe d’HuZes gebeuren? Velen weten niet hoe hun leven zal

verlopen. Ik wel. Ik moet nog diverse malen behandeld worden. In juli start de volgende

chemokuur. Spijtig genoeg heb ik het niet ‘gered’ tot voorbij de zomer. Mijn vorm van kanker

is ongeneeslijk, maar kan met behandelingen onder controle worden gehouden. ‘In remise

worden gezet.’ Door kanker wordt je prioritering in één klap herschikt. Werken is leuk en

belangrijk, maar niet het leukste en niet het belangrijkste. Dat zijn je kinderen en je vrouw.

Ach, wat wordt het vaak gezegd, maar wat wordt er slecht naar geleefd, ook door mij. De

prikkel die uitgaat van je dierbaren wordt, als je niet uitkijkt, met het jaar minder. Ook omdat

het zo vanzelfsprekend is. Maar het is niet zo vanzelfsprekend. Denk erover na en voel het.

Wat voegt nu eigenlijk het meeste toe aan je geluk?

Ook blijf ik zeer gelukkig met mijn Marjolijn, Milo en Jaron. Ik ben me bewust van wat er

werkelijk toe doet in het leven. Gezondheid is niet iets wat vanzelfsprekend is. Je knokt

ervoor om het te krijgen en het te behouden. Dat is erg belangrijk. Daarnaast heb je een zekere

mate van geluk nodig. Daarom heb ik mijn levensmotto’s uitgebreid met: “Het leven is wel

leuk, maar soms wat oneerlijk”.

En over 10 of 20 jaar word ik grootvader. Gewoon, omdat ik dat wil en het leuk vind en die

jongens van mij prachtige vrouwen ontmoeten. Dan geniet ik van mijn kleinkinderen en vind

ik de rust die ik in al die jaren nooit echt kon vinden. Ik houd nog steeds van Marjolijn, en

Marie-José houdt me in leven.

En pas in 2047 sterf ik, op mijn 87e.

Opgeven is geen optie!

Peter Kapitein