Column 16 April 2008: Steun
Regelmatig denk ik aan haar, een onbekende
vrouw.
Dan zie ik haar weer liggen in dat grote ziekenhuisbed. Heel ziek, bijna
te ziek om te bewegen. Ik kwam niet bij haar op bezoek, ik kende haar niet en
toch blijft ze in mijn gedachten. Opgegeven
Ze ligt daar zo kwetsbaar, ik
zie dat ze haar borsten mist, ze moet veel spugen. Ik vind het zo pijnlijk voor
haar dat wij in die kamer zitten. Niet bij haar, en toch bij haar. Vreemden die
haar pijn zien en de pijn bijna kunnen voelen. In de hoek van de kamer,
tegenover haar bed staat een stoel, een lege stoel. Maar het voelt voor mij
alsof de dood daar zit te wachten, op haar. Hoe langer ik er ben, hoe meer de
stoel me benauwt, maar ik kan niets doen.
Ook denk ik regelmatig aan hem, een
vriend.
Dan zie ik hem weer zitten in het ziekenhuis met het infuus in zijn
hand. Het medicijn druppelt langzaam zijn zieke lijf in. Als ik hem buiten het
ziekenhuis zie heb ik vaak niet in de gaten dat hij zo ziek is en daar in dat
ziekenhuis dringt de ernst van de ziekte ineens keihard tot me door. Ook al
vertelt hij enthousiast als altijd het ene na het andere verhaal en glinsteren
zijn ogen
als ik naar huis rij ben ik van slag en ik bewonder hem nog meer
om de manier hoe hij zijn leven met kanker leeft.
Tijdens het fietsen zitten deze mensen verankerd in mijn gedachten.
Altijd, bij iedere rit. Net als al die anderen. Zodra ik opstap begint de film
en glijden de beelden van mensen met kanker als een film aan mij voorbij. Net
als de indrukwekkende verhalen van mijn Alpe d'HuZessers, die herhalen zich
iedere keer weer in het cadans van mijn wielen. De kilometers glijden dan aan
me voorbij zonder dat ik er echt veel moeite voor hoef te doen. Op een brug
drink ik wat en staar ik over het gladde water en vraag me af hoe het met haar
gaat. Heeft ze mijn kaartje ontvangen? Een kaart van een wildvreemde
Het
was voor mij het enige wat ik voor haar kon
doen.
Straks ga ik weer naar hem toe. Ik weet dat bezoek (de mensen, de
vrienden, de aandacht, het er-zijn) momenteel zijn levensader is en dat wetende
kan ik niets anders doen dan weer een kaartje sturen en ga ik graag overmorgen
weer bij hem op bezoek


